OP ZOEK NAAR HET OORSPRONKELIJKE CHRISTENDOM

 

Feit en fictie in De Da Vinci Code

en de moderne gnostiek

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Martie Dieperink

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

INHOUD

 

Voorwoord
 
Inleiding

 

Deel I: De gnostiek en de kerk

 

1.  Het wezen en de oorsprong van de gnostiek

Wat is gnosis? – Valentinus – rebellie tegen de God van het Oude Testament – geloven na Auschwitz – een rassentheorie - minachting voor christenen – ascetisme en immoreel gedrag – een gewelddadige kerk? –  alleen door kennis – Sophia – dogma en ervaring – fantasie of goddelijke openbaring? – de hemelreis – ware en valse mystiek  – voorlopige conclusie

2.  Een botsing van geesten in de vroegchristelijke tijd

Vrije spiritualiteit en kerkelijk gezag – bisschop Polycarpus – alleen losse groepen? – kerkgeschiedschrijver Eusebius – gezagsdragers in de vroege kerk – de taak van de opziener – eenheid en pluriformiteit – de apostolische traditie – voorlopige conclusie – de strijd met Simon de tovenaar – Simon de tovenaar in Handelingen – Simon in de pseudo-Clementijnse literatuur – Simon als magiër – de geest van de antichrist – gnostische godsbeelden bij Jung en Grün – ‘gnosis’ in de Bijbel – de brieven van Paulus – Paulus over de lichamelijke opstanding – Paulus een gnosticus? – voorlopige conclusie – geheime leringen – voorlopige conclusie

3.  Een neognostisch Jezusbeeld

Jezus een esotericus? – de ‘logische’ Jezus – adoptianisme – de Christus – conclusie

 

Intermezzo 1:

4.  Het christendom van oorsprong Egyptisch?

Een doofpotaffaire? – Origenes als kroongetuige – het kruis – Egyptologie – parallellen tussen evangeliën en mythen – Uit Egypte heb ik Hem geroepen – Mozes en de Pentateuch – een botsing van geesten – de plagen – het scheppingsverhaal – schepping van de mens

 

Deel II: De vroegchristelijke geschriften

 

5.  Kritisch bijbelonderzoek

De historisch-kritische methode – Lessing – het synoptische probleem – Bultmann en de ontmythologisering – de vier evangeliën authentiek?

6.  Valsheid in geschrifte?
               
Wie vervalst?

7.  Het joodse oerchristendom

Een neognostische hypothese – adoptianisme – historische bronnen – één oerchristendom – Jakobus de rechtvaardige – de brief van Jakobus

8.  Het Evangelie van Thomas

Authentiek? – enkratitisch – gnostisch? – gnostische omvorming – de canon

9.  Het Evangelie van Judas

De sekte der Kaïnieten – een moderne Kaïniet

10. Een andere kerk?

 

Intermezzo 2:

11. Het geheim van de graal

Een bloedlijn – het heilige vrouwelijke – het ware geheim – Jezus en het Evangelie van Lucas –               getuigenissen van ex-moslims die Jezus ontmoetten

 

Deel III: Terug naar het oorspronkelijke christendom

 

12. Een zoektocht naar eenheid

Het probleem van de verdeeldheid – een nieuwe situatie en houding – de uitleg van de Bijbel – interpretatiekaders – het belang van de vroege kerkvaders

13. De doop

Kinderdoop of volwassendoop? – de doop in de vroege kerk – het bijbelse gezinsdenken – de betekenis              van de doop   

14. De eucharistie of het avondmaal

Lichaam en bloed van Christus – gemeenschap met Jezus Christus – zegen door het sacrament – de eucharistie als offer – geloof in de aanwezigheid van de Heer

15. Sabbat of zondag?

De zondag van heidense oorsprong? – Jezus en de sabbat – de opstanding en de zondagviering –        Jeruzalem en de oorsprong van de zondag – Rome en de oorsprong van de zondag – anti-judaïsme? –                een nieuwe kijk op de sabbat – de zondag en de zonverering

 

16. Slot: De oorspronkelijke gemeenschap

 


Inleiding

 

In onze tijd wordt de kerk die het traditionele christendom verkondigt, enorm onder vuur genomen. In De Da Vinci Code gebeurt dat in romanvorm door te suggereren dat de kerk de waarheid heeft verzwegen over Jezus en zijn vroegste volgelingen. De Canadese journalist Tom Harpur heeft, zo lezen we op de achterflap van zijn boek De ‘heidense Christus’, een bom onder het instituut kerk gelegd met zijn stelling dat Jezus nooit geleefd heeft. Het traditionele geloof dat Jezus de Zoon van God en de Verlosser is, wordt bestreden. Prof. Elaine Pagels, die in Amerika de gnostiek voor het grote publiek toegankelijk heeft gemaakt, beschouwt Jezus als een gnostische mysticus. Moderne gnostici, alsook sympathisanten van de gnostiek – gemakshalve noemen wij hen allen neognostici – beweren dat de kerk ten onrechte de mens Jezus tot God heeft verheven en de waarheid over de innerlijke Christus heeft verzwegen. Zo zou het Evangelie zijn vervalst. Alternatieve, zogenaamde ‘gnostische’ evangeliën zouden betrouwbaarder zijn dan de bijbelse evangeliën.

   Grote waarde wordt gehecht aan de gnostische geschriften die eind december 1945 in het Egyptische plaatsje Nag Hammadi zijn gevonden. Slavenburg en Glaudemans beweren:

“De gevonden teksten van Nag Hammadi werpen door hun aanvullend karakter een nieuw perspectief op de ontstaansgeschiedenis van het christendom en tonen onder andere een beeld van Jezus van Nazareth dat door de latere kerkelijke traditie om allerlei redenen is aangetast en vervormd.”[i]


Door genoemde neognostische boeken wordt grote verwarring geschapen. Zijn we dan altijd door de kerk bedrogen en heeft die de echte waarheid over Jezus verzwegen? Het gaat in de strijd tussen gnostiek en de kerk niet om allerlei kleinere verschillen die christenen onderling verdeeld kunnen houden – daarover komen we later in dit boek ook te spreken  – maar om de fundamentele vraag wie God is en wie Jezus Christus is. Voor de gnosticus is Jezus totaal iemand anders dan voor de orthodoxe christen. En welk Jezusbeeld is dan het meest oorspronkelijk?

 

Neognostici hebben een overdreven wantrouwen tegen historische gegevens uit de vroege kerk. Maar al te gemakkelijk worden door hen feiten tot fictie verklaard, terwijl de eigen theorieën als feit worden gepresenteerd. Zo schrijft Dan Brown in het voorwoord op De Da Vinci Code:

“Alle beschrijvingen van kunstwerken, architectuur, documenten en geheime rituelen in dit boek zijn waarheidsgetrouw.”

Maar als hij beweert:

“Jezus werd pas benoemd tot de “zoon van God”, nadat er een officieel voorstel voor was ingediend en erover was gestemd door het concilie van Nicea [ten tijde van Constantijn de Grote in 325 n. Chr.]”,[ii]

dan klopt dit niet met de feiten. De Romein Plinius de Jongere vermeldt in de vroege jaren van de tweede eeuw in een verslag over christenen dat Christus als een God werd beschouwd, hetgeen overeenkomt met wat we in de orthodoxe vroegchristelijke bronnen vinden. Reeds de apostel Thomas riep uit, toen hij de opgestane Heer zag: “Mijn Heer en mijn God” (Joh. 20:28).

Op tal van plaatsen in zijn boek doet Brown de waarheid geweld aan. Wie vervalst er eigenlijk? Door wie worden we in werkelijkheid bedrogen?, mogen we ons afvragen.

 

We hebben daarom in hun boeken nauwkeurig feit en fictie te onderscheiden. Door een grondig onderzoek van zowel de gnostiek als de vroege kerkvaders en de historische gegevens uit de vroege kerk, hopen we meer zicht te krijgen op wat er werkelijk is gebeurd en zo het oorspronkelijke Evangelie te ontdekken. Ik hoop dat de lezer even geboeid zal zijn door deze zoektocht als ikzelf.

 

Verschillende aspecten van deze zoektocht komen achtereenvolgens aan bod. In deel I wordt de verhouding tussen gnostiek en de kerk onderzocht. De centrale vraag is waar we het oorspronkelijke christendom vinden: in de gnostiek of in de orthodoxe kerk. In deel II wordt onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van gnostische en canonieke geschriften. De grote vraag is of de gnostische evangeliën ten onrechte uit de canon zijn geweerd, zoals neognostici menen. In deel III worden verschillen tussen christenen onderling onder de loep genomen in het licht van de vroege kerkvaders. Hier staat de vraag centraal hoe we de oorspronkelijke gemeenschap kunnen herstellen.

   Twee intermezzo’s gaan in op theorieën die in neognostische literatuur vaak voorkomen. De eerste theorie stelt dat het christendom van oorsprong uit Egypte stamt; de tweede dat de kerk beducht is voor het openbaar worden van het geheim van de graal. De vraag is of de kerk inderdaad de waarheid heeft verzwegen; we maken kennis met het ware geheim van het Evangelie.

   In het boek zijn veel citaten opgenomen, vaak uit oorspronkelijke bronnen van (neo-) gnostici of kerkvaders. De lezer kan hierdoor in veel gevallen ook zelf zijn of haar conclusies trekken.


 



[i] Nag Hammadi geschriften I, red. Slavenburg en Glaudemans, p. 13.

[ii] De Da Vinci Code, p. 224.